Yo estoy listo.
Nederlands: Ik ben klaar.
In het Spaans zijn 'ser' en 'estar' de belangrijkste werkwoorden die gebruikt worden voor identiteit, kenmerken, toestanden en locaties. Beide betekenen 'zijn', maar worden in verschillende situaties gebruikt.
'Ser' gebruik je voor permanente eigenschappen, beroepen en identiteit. 'Estar' gebruik je voor tijdelijke toestanden, emoties en locaties.
Yo estoy listo.
Nederlands: Ik ben klaar.
Ella es mi profesora.
Nederlands: Zij is mijn lerares.
Ellos están en casa.
Nederlands: Zij zijn thuis.
No llegamos tarde.
Nederlands: Wij zijn niet te laat.