Taal
Spaans
Niveau
A0
Eenheid
Palabras auxiliares y verbos principales
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Spaans zijn 'ser' en 'estar' de belangrijkste werkwoorden die gebruikt worden voor identiteit, kenmerken, toestanden en locaties. Beide betekenen 'zijn', maar worden in verschillende situaties gebruikt.

Wanneer je het gebruikt

'Ser' gebruik je voor permanente eigenschappen, beroepen en identiteit. 'Estar' gebruik je voor tijdelijke toestanden, emoties en locaties.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Yo estoy listo.

Nederlands: Ik ben klaar.

Ella es mi profesora.

Nederlands: Zij is mijn lerares.

Ellos están en casa.

Nederlands: Zij zijn thuis.

No llegamos tarde.

Nederlands: Wij zijn niet te laat.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen