¿Es él tu amigo? Sí, lo es.
Nederlands: Is hij jouw vriend? Ja, dat is hij.
Korte antwoorden in het Spaans gebruiken vaak alleen 'sí' of 'no', maar kunnen het werkwoord herhalen voor duidelijkheid.
Gebruik korte antwoorden om natuurlijk te reageren zonder volledige zinnen te herhalen.
¿Es él tu amigo? Sí, lo es.
Nederlands: Is hij jouw vriend? Ja, dat is hij.
¿Te gusta el café? No, no me gusta.
Nederlands: Vind je koffie lekker? Nee, dat vind ik niet.
¿Están en casa? Sí, lo están.
Nederlands: Zijn ze thuis? Ja, dat zijn ze.
¿Ella estudia aquí? No, no estudia.
Nederlands: Studeert zij hier? Nee, dat doet zij niet.