- Taal
- Duits
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Nomen, Fälle und Pronomen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Possessivpronomen in het Duits zijn woorden die aangeven van wie iets is, zoals 'mein', 'dein', 'sein', 'ihr', enzovoort.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik possessivpronomen in het Duits om bezit of relaties aan te geven. Ze komen vóór het zelfstandig naamwoord en vervangen het lidwoord: bijvoorbeeld 'mein Buch', 'deine Tasche', 'unsere Freunde'.
Belangrijke vormen
- mein (mijn), dein (jouw, informeel), sein (zijn/het), ihr (haar/hun), unser (ons/onze), euer (jullie, informeel meervoud), Ihr (uw, formeel)
- De uitgang verandert afhankelijk van het geslacht, de naamval en het aantal: mein Vater, meine Mutter, mein Kind, meine Freunde.
Voorbeelden
Das ist mein Auto.
Nederlands: Dat is mijn auto.
Wo ist dein Hund?
Nederlands: Waar is jouw hond?
Seine Schwester lebt in Berlin.
Nederlands: Zijn zus woont in Berlijn.
Unsere Lehrerin ist sehr nett.
Nederlands: Onze lerares is erg aardig.
Tips
- Let goed op de uitgang van het possessivpronomen: deze moet overeenkomen met het geslacht, het aantal en de naamval van het zelfstandig naamwoord.
- Gebruik geen lidwoord voor het possessivpronomen (dus 'mein Buch', niet 'das mein Buch').
- 'Ihr' kan 'haar', 'hun' of formeel 'uw' betekenen, afhankelijk van de context.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'euer' valt de 'e' weg vóór de uitgang: 'euer Buch', maar 'eure Freundin'.