Taal
Duits
Niveau
A2
Eenheid
Pronomen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn 'Fragepronomen' vraagwoorden die je gebruikt om specifieke informatie te vragen, zoals 'wie', 'wat', 'waar', 'wanneer', 'waarom' en 'hoe'. Ze helpen je om vragen te stellen.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik Duitse Fragepronomen als je wilt vragen naar een persoon, een ding, een plaats, een tijd, een reden, een manier of als je wilt kiezen tussen dingen.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Wer ist das?

Nederlands: Wie is dat?

Was machst du?

Nederlands: Wat doe je?

Wo wohnst du?

Nederlands: Waar woon je?

Wann beginnt der Film?

Nederlands: Wanneer begint de film?

Warum lernst du Deutsch?

Nederlands: Waarom leer je Duits?

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen