- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Satzstruktur und Verneinung
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Duits gebruik je 'nicht' om een zin negatief te maken. Het betekent 'niet' en geeft aan dat iets niet waar is of niet gebeurt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik 'nicht' om een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord of een hele zin te ontkennen in het Duits.
Belangrijke vormen
- 'nicht' komt voor bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden: 'Das ist nicht gut.'
- 'nicht' komt na het werkwoord als je de handeling wilt ontkennen: 'Ich schlafe nicht.'
- 'nicht' komt voor het deel van de zin dat je wilt ontkennen: 'Ich trinke nicht Kaffee.'
Voorbeelden
Ich spreche nicht Deutsch.
Nederlands: Ik spreek geen Duits.
Das ist nicht mein Buch.
Nederlands: Dat is niet mijn boek.
Wir gehen heute nicht ins Kino.
Nederlands: Wij gaan vandaag niet naar de bioscoop.
Er ist nicht müde.
Nederlands: Hij is niet moe.
Tips
- Gebruik 'nicht' niet bij zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord; gebruik dan 'kein/keine/kein'.
- 'Nicht' staat vaak aan het einde van de zin of vlak voor het deel dat je wilt ontkennen.
- Let op de woordvolgorde: 'nicht' staat niet altijd helemaal achteraan.
Uitzonderingen en randgevallen
- 'Nicht' wordt niet gebruikt om zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord te ontkennen; gebruik dan 'kein'.
- In vaste uitdrukkingen kan de positie van 'nicht' veranderen.