- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Verben und Verbformen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het Duitse 'Präsens' is de tegenwoordige tijd. Hiermee geef je aan wat nu gebeurt, wat regelmatig gebeurt of wat binnenkort zal gebeuren. Het werkwoord krijgt een andere uitgang afhankelijk van wie de actie doet.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de Duitse tegenwoordige tijd om te vertellen over iets dat nu gebeurt, gewoontes, feiten of iets dat snel zal gebeuren.
Belangrijke vormen
- ich spiele
- du spielst
- er/sie/es spielt
- wir spielen
- ihr spielt
- sie/Sie spielen
Voorbeelden
Ich lerne Deutsch.
Nederlands: Ik leer Duits.
Du spielst Fußball.
Nederlands: Jij speelt voetbal.
Er liest ein Buch.
Nederlands: Hij leest een boek.
Wir gehen ins Kino.
Nederlands: Wij gaan naar de bioscoop.
Sie trinken Wasser.
Nederlands: Zij drinken water.
Tips
- Let goed op de juiste uitgang van het werkwoord bij elke persoon.
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en veranderen hun stam in de tegenwoordige tijd.
- De tegenwoordige tijd wordt in het Duits ook gebruikt voor toekomstige gebeurtenissen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en volgen niet het standaardpatroon (bijv. 'sein', 'haben', 'werden', 'gehen').
- Een paar werkwoorden veranderen hun klinker in de stam in de tegenwoordige tijd (bijv. 'fahren' → 'du fährst').