Ich war gestern zu Hause.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
Het werkwoord 'sein' in de verleden tijd wordt gebruikt om te zeggen wat iemand of iets was.
Gebruik de verleden tijd van 'sein' om over mensen of dingen in het verleden te praten.
Ich war gestern zu Hause.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
Du warst müde.
Nederlands: Je was moe.
Wir waren in Berlin.
Nederlands: Wij waren in Berlijn.
Sie waren glücklich.
Nederlands: Zij waren gelukkig.
De gekozen woordenschat-, grammatica- en uitspraakpagina van vandaag voor Duits. Bewaar deze sectie — hij wordt elke dag bijgewerkt.
Abonneer je op dagelijkse SmartWords-keuzes. Kies de onderwerpen die je wilt — we sturen één kort e-mailtje per dag.
Zes woordspellen gebouwd op onze echte woordenschat — gratis in de browser, geen installatie nodig.
Open de spelhub →
Match het middelste woord onder tijdsdruk en houd je combo vast.
Speel nu →
Vlieg door de juiste poort voordat de snelheid opvoert.
Speel nu →
Snijd de woorden in de doeltaal, ontwijk de afleider in de hoofdtaal en ga voor het aangekondigde bonusdoel.
Speel nu →
Volg één pad over het bord, raak elk letterankerpunt op volgorde en vul elk open vakje.
Speel nu →
Kies het woord dat niet past uit een thematische set — elke tik toont meteen alle vier betekenissen en afbeeldingen, zodat de ronde ook een flashcard wordt.
Speel nu →
Draai kaarten om en koppel woorden in de doeltaal aan hun betekenis in de hoofdtaal voordat je levens op zijn.
Speel nu →