- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Verben und Verbformen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De 'Imperativ' in het Duits is de vorm die je gebruikt om bevelen, instructies of verzoeken te geven.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de imperatief om iemand te zeggen wat hij/zij moet doen, bijvoorbeeld bij instructies, advies of een verzoek. Er is een vorm voor één persoon (du), voor meerdere personen (ihr) en voor formele situaties (Sie).
Belangrijke vormen
- du-vorm: Geh!
- ihr-vorm: Geht!
- Sie-vorm (formeel): Gehen Sie!
Voorbeelden
Komm hierher!
Nederlands: Kom hier!
Lest das Buch!
Nederlands: Lees het boek!
Schlafen Sie gut!
Nederlands: Slaap lekker!
Mach die Tür zu!
Nederlands: Doe de deur dicht!
Tips
- Bij 'du' gebruik je de stam van het werkwoord, zonder 'st'-uitgang.
- Bij 'ihr' gebruik je de tegenwoordige tijd van 'ihr'.
- Bij 'Sie' zet je het werkwoord vooraan, gevolgd door 'Sie'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden veranderen de klinker in de stam bij 'du' (bijv. 'fahren' → 'Fahr!').
- Het werkwoord 'sein' is onregelmatig: 'Sei!' (du), 'Seid!' (ihr), 'Seien Sie!' (Sie).