- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Satzstruktur und Verneinung
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Duits zijn 'Fragesätze' vragende zinnen. Je gebruikt ze om iets te vragen of informatie te krijgen.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik Fragesätze in het Duits om informatie te vragen, iets te verduidelijken of bevestiging te krijgen.
Belangrijke vormen
- 1. Ja/nee-vraag: het werkwoord komt eerst, daarna het onderwerp. Voorbeeld: Kommst du?
- 2. Vraag met vraagwoord: vraagwoord, dan werkwoord, dan onderwerp. Voorbeeld: Wo wohnst du?
Voorbeelden
Kommst du?
Nederlands: Kom je?
Wie heißt du?
Nederlands: Hoe heet jij?
Wo wohnst du?
Nederlands: Waar woon je?
Hast du Geschwister?
Nederlands: Heb je broers of zussen?
Was machst du?
Nederlands: Wat doe je?
Tips
- Begin ja/nee-vragen altijd met het werkwoord.
- Bij een vraagwoord, zet je het vraagwoord eerst, daarna het werkwoord.
- Gebruik geen extra hulpwerkwoord zoals in het Engels.
Uitzonderingen en randgevallen
- In gesproken Duits kun je soms met alleen intonatie een vraag stellen, maar dit is niet standaard in schrijftaal.