Das Auto ist schnell.
Nederlands: De auto is snel.
Duitse bijvoeglijke naamwoorden beschrijven mensen, dingen of situaties. De 'Grundform' is de basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord, zonder uitgang.
Gebruik de basisvorm van het Duitse bijvoeglijk naamwoord wanneer het na de werkwoorden 'sein', 'werden' of 'bleiben' staat, of wanneer het los staat, niet voor een zelfstandig naamwoord.
Das Auto ist schnell.
Nederlands: De auto is snel.
Die Blume ist schön.
Nederlands: De bloem is mooi.
Er ist freundlich.
Nederlands: Hij is vriendelijk.
Das Wetter bleibt kalt.
Nederlands: Het weer blijft koud.