She can speak three languages.
Nederlands: Zij kan drie talen spreken.
Modale werkwoorden voor vaardigheid in het Engels zijn speciale werkwoorden zoals 'can', 'could' en 'be able to'. Ze geven aan of iemand iets kan of kon doen.
Gebruik deze vormen om te zeggen wat jij of iemand anders nu kan, vroeger kon, of in de toekomst zal kunnen. 'Can' is voor het heden, 'could' voor het verleden of beleefde verzoeken, en 'be able to' voor andere tijden.
She can speak three languages.
Nederlands: Zij kan drie talen spreken.
I could run very fast when I was a child.
Nederlands: Ik kon heel hard rennen toen ik kind was.
Will you be able to come tomorrow?
Nederlands: Kun je morgen komen?
He wasn't able to finish the test in time.
Nederlands: Hij kon de toets niet op tijd afmaken.