Taal
Nederlands
Niveau
B2
Eenheid
Voorzetsels en bijwoorden
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Bijwoorden van tijd, plaats en wijze geven in het Nederlands aan wanneer, waar of hoe iets gebeurt. Ze geven extra informatie over het werkwoord of de hele zin.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze bijwoorden als je wilt aangeven op welk moment, op welke plek of op welke manier iets gebeurt. Ze maken je zinnen duidelijker en specifieker.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ik ga morgen naar Amsterdam.

De kinderen spelen buiten.

Zij spreekt langzaam.

We eten altijd samen.

Hij werkt hier.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen