Ik heb drie boeken.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Zelfstandige naamwoorden en hoeveelheden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Telwoorden zijn woorden die gebruikt worden om te tellen, hoeveelheden aan te geven, volgorde te benoemen of cijfers uit te drukken.
Wanneer je het gebruikt
Telwoorden gebruik je in het Nederlands om te tellen, hoeveelheden aan te geven, leeftijden te noemen, data te zeggen of de volgorde van iets aan te geven (zoals eerste, tweede, derde).
Belangrijke vormen
- Hoofdtelwoorden: een, twee, drie, vier, vijf, enz.
- Rangtelwoorden: eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, enz.
Voorbeelden
Zij is de tweede student.
Vandaag is de vijfde juni.
Er zijn tien mensen in de kamer.
Hij woont op de vierde verdieping.
Tips
- Let op het verschil tussen 'een' (onbepaald lidwoord) en 'één' (het getal één). Het accent geeft nadruk.
- Rangtelwoorden eindigen meestal op '-de' of '-ste' (bijvoorbeeld: derde, vierde, vijfde, zesde, tiende, twintigste).
- Getallen van 21 tot 99 schrijf je aan elkaar: 'drieëntwintig', 'vijfendertig'.
Uitzonderingen en randgevallen
- De rangtelwoorden 'eerste' en 'derde' zijn onregelmatig.
- Bij getallen die eindigen op -t of -d verandert de uitgang soms (bijvoorbeeld: twintigste, achtste).