Ik moet werken.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Werkwoordgebruik en modale werkwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Nederlands zijn 'moeten', 'mogen', 'kunnen' en 'willen' modale werkwoorden. Ze geven aan of iets moet, mag, kan of gewenst is.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze werkwoorden om te zeggen dat iets verplicht is, toegestaan is, mogelijk is of gewenst is. Na het modale werkwoord staat het hoofdwerkwoord in de infinitief achteraan in de zin.
Belangrijke vormen
- 'moeten' – moeten
- 'mogen' – mogen
- 'kunnen' – kunnen
- 'willen' – willen
Voorbeelden
Jij mag naar buiten gaan.
Wij kunnen Nederlands spreken.
Zij wil een appel eten.
Tips
- Het modale werkwoord staat meestal op de tweede plaats in de zin, het hoofdwerkwoord (infinitief) achteraan.
- Modale werkwoorden zijn onregelmatig, leer de vormen goed.
- Na een modaal werkwoord gebruik je nooit 'te' voor de infinitief.
Uitzonderingen en randgevallen
- In vragen staat het modale werkwoord vooraan.
- Het hoofdwerkwoord kan soms worden weggelaten als het duidelijk is uit de context.