Ik ga op maandag naar school.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Voorzetsels en tijd
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Voorzetsels van tijd zijn woorden waarmee je aangeeft wanneer iets gebeurt. Ze helpen je om te praten over dagen, tijden, maanden en periodes.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voorzetsels om aan te geven wanneer een gebeurtenis plaatsvindt, zoals een specifieke dag, tijd, maand of periode. Ze beantwoorden de vraag 'Wanneer?'.
Belangrijke vormen
- in
- op
- om
- van ... tot ...
- tussen ... en ...
Voorbeelden
De les begint om negen uur.
We gaan in juli op vakantie.
Het museum is open van tien tot vijf.
Tussen twaalf en één eet ik lunch.
Tips
- Gebruik 'op' voor dagen en data, zoals 'op maandag' of 'op 1 januari'.
- Gebruik 'in' voor maanden, jaren en seizoenen, zoals 'in juli' of 'in de zomer'.
- Gebruik 'om' voor exacte tijdstippen, zoals 'om acht uur'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'de ochtend', 'de middag', 'de avond' gebruik je 'in' (bijvoorbeeld 'in de ochtend'), maar bij 'nacht' zeg je '’s nachts'.