De man leest een boek.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
'Lidwoorden' zijn kleine woordjes die je voor een zelfstandig naamwoord zet. Ze geven aan of je het over iets specifieks of iets algemeens hebt. Er zijn bepaalde (de/het) en onbepaalde (een) lidwoorden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik 'de' of 'het' als je verwijst naar iets of iemand specifieks. Gebruik 'een' als je het over iets of iemand in het algemeen hebt. Of je 'de' of 'het' gebruikt, hangt af van het soort zelfstandig naamwoord.
Belangrijke vormen
- 'de' (bepaald lidwoord, de-woorden)
- 'het' (bepaald lidwoord, het-woorden)
- 'een' (onbepaald lidwoord, alle woorden)
Voorbeelden
Het huis is groot.
Een hond loopt in de tuin.
De appel is rood.
Het kind speelt.
Tips
- De meeste zelfstandige naamwoorden zijn 'de-woorden', maar een deel is 'het-woord'. Dit moet je per woord leren.
- 'Een' gebruik je nooit bij meervoud.
- Meervoud krijgt altijd 'de'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige woorden voor mensen (zoals 'meisje') zijn 'het-woorden' omdat ze op '-je' eindigen.
- Er zijn zelfstandige naamwoorden met een onregelmatig lidwoord.