Leesdialoog

  1. Lars
    Nederlands Ze kunnen voetbal spelen.

    They can play football.

  2. Anna
    Nederlands Ik kan niet heel snel lopen.

    I can't walk very fast.

  3. Lars
    Nederlands Zij sport elke dag.

    She exercises every day.

  4. Anna
    Nederlands We rennen 's ochtends in het park.

    We run in the park in the morning.

  5. Lars
    Nederlands Mijn broer zwemt in de zee.

    My brother swims in the sea.

  6. Anna
    Nederlands Ik spring en schop de bal.

    I jump and kick the ball.

  7. Lars
    Nederlands Hij rijdt met zijn fiets naar school.

    He rides his bike to school.

  8. Anna
    Nederlands We spelen basketbal en voetbal.

    We play basketball and soccer.

Oefen deze les in SmartWords

Luister, herhaal en tik op elk woord in de dialoog om de betekenis en audio te zien.

Andere A1-lessen in het Nederlands

Speel SmartWords-spellen

Zes woordspellen gebouwd op onze echte woordenschat — gratis in de browser, geen installatie nodig.

Open de spelhub →
  • Word Sling illustration

    Word Sling

    Match het middelste woord onder tijdsdruk en houd je combo vast.

    Speel nu →
  • Word Gate illustration

    Word Gate

    Vlieg door de juiste poort voordat de snelheid opvoert.

    Speel nu →
  • Word Ninja illustration

    Word Ninja

    Snijd de woorden in de doeltaal, ontwijk de afleider in de hoofdtaal en ga voor het aangekondigde bonusdoel.

    Speel nu →
  • Word Zip illustration

    Word Zip

    Volg één pad over het bord, raak elk letterankerpunt op volgorde en vul elk open vakje.

    Speel nu →
  • Word Oddity illustration

    Word Oddity

    Kies het woord dat niet past uit een thematische set — elke tik toont meteen alle vier betekenissen en afbeeldingen, zodat de ronde ook een flashcard wordt.

    Speel nu →
  • Word Memory illustration

    Word Memory

    Draai kaarten om en koppel woorden in de doeltaal aan hun betekenis in de hoofdtaal voordat je levens op zijn.

    Speel nu →