Ana es más alta que Luis.
Nederlands: Ana is groter dan Luis.
Met Spaanse comparatieven en superlatieven kun je mensen, dingen of handelingen vergelijken en aangeven dat iets het meest of minst is binnen een groep.
Gebruik comparatieven om twee dingen of personen te vergelijken. Gebruik superlatieven om aan te geven dat iemand of iets het meest of minst is binnen een groep.
Ana es más alta que Luis.
Nederlands: Ana is groter dan Luis.
Este libro es menos interesante que ese.
Nederlands: Dit boek is minder interessant dan dat.
Mi hermano es tan simpático como mi hermana.
Nederlands: Mijn broer is even aardig als mijn zus.
Pedro es el más rápido de la clase.
Nederlands: Pedro is de snelste van de klas.
Esta película es la menos divertida de todas.
Nederlands: Deze film is de minst leuke van allemaal.