Ich gehe mit meinem Freund ins Kino.
Nederlands: Ik ga met mijn vriend naar de bioscoop.
In het Duits zijn er voorzetsels die altijd een datief vereisen voor het daaropvolgende zelfstandig naamwoord of voornaamwoord. Deze heten 'voorzetsels met de datief'.
Je gebruikt deze voorzetsels om herkomst, plaats, tijd, bezit, richting (naar een persoon of plaats), of bij bepaalde werkwoorden aan te geven. Het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord na deze voorzetsels staat altijd in de datief.
Ich gehe mit meinem Freund ins Kino.
Nederlands: Ik ga met mijn vriend naar de bioscoop.
Wir wohnen bei meinen Eltern.
Nederlands: Wij wonen bij mijn ouders.
Sie kommt aus der Schweiz.
Nederlands: Zij komt uit Zwitserland.
Das Geschenk ist von meiner Schwester.
Nederlands: Het cadeau is van mijn zus.
Ich fahre zu dem Bahnhof.
Nederlands: Ik ga naar het station.