Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Zeit und Ort
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Temporele voorzetsels in het Duits zijn woorden die aangeven wanneer iets gebeurt. Ze beantwoorden vragen zoals 'wanneer?' of 'hoelang?'.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik temporele voorzetsels om in het Duits te praten over dagen, data, tijdstippen, maanden, seizoenen, begin- en eindmomenten, en tijdsduur.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich gehe am Montag ins Kino.

Nederlands: Ik ga op maandag naar de bioscoop.

Wir treffen uns um 18 Uhr.

Nederlands: We spreken af om 18 uur.

Er arbeitet seit 2015 in Berlin.

Nederlands: Hij werkt sinds 2015 in Berlijn.

Ab morgen habe ich Urlaub.

Nederlands: Vanaf morgen heb ik vakantie.

Die Schule ist von Montag bis Freitag.

Nederlands: De school is van maandag tot vrijdag.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen