Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Präpositionen und Konjunktionen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er voorzetsels waarbij het woord erna altijd in de datief staat. Dit zijn 'voorzetsels met de datief'.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voorzetsels als je wilt praten over plaats, richting, herkomst, tijd of relaties. Het zelfstandig naamwoord na het voorzetsel moet in de datief staan.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich gehe mit dem Freund ins Kino.

Nederlands: Ik ga met de vriend naar de bioscoop.

Das Buch ist auf dem Tisch bei der Lampe.

Nederlands: Het boek ligt op de tafel bij de lamp.

Wir fahren nach Hause.

Nederlands: Wij gaan naar huis.

Sie wohnt seit einem Jahr in Berlin.

Nederlands: Zij woont sinds een jaar in Berlijn.

Der Hund sitzt gegenüber dem Haus.

Nederlands: De hond zit tegenover het huis.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen