Ich gehe durch den Park.
Nederlands: Ik loop door het park.
In het Duits zijn er voorzetsels die altijd de accusatief (vierde naamval) gebruiken. Deze voorzetsels beïnvloeden het lidwoord of voornaamwoord dat erop volgt.
Gebruik deze voorzetsels om richting, beweging, doel of tegenstelling aan te geven. Het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord na deze voorzetsels staat altijd in de accusatief.
Ich gehe durch den Park.
Nederlands: Ik loop door het park.
Das Geschenk ist für dich.
Nederlands: Het cadeau is voor jou.
Wir spielen gegen die Mannschaft.
Nederlands: We spelen tegen het team.
Er fährt ohne seinen Freund.
Nederlands: Hij reist zonder zijn vriend.
Wir sitzen um den Tisch.
Nederlands: We zitten om de tafel.