Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Präpositionen und Konjunktionen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er voorzetsels die altijd de accusatief (vierde naamval) gebruiken. Deze voorzetsels beïnvloeden het lidwoord of voornaamwoord dat erop volgt.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voorzetsels om richting, beweging, doel of tegenstelling aan te geven. Het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord na deze voorzetsels staat altijd in de accusatief.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich gehe durch den Park.

Nederlands: Ik loop door het park.

Das Geschenk ist für dich.

Nederlands: Het cadeau is voor jou.

Wir spielen gegen die Mannschaft.

Nederlands: We spelen tegen het team.

Er fährt ohne seinen Freund.

Nederlands: Hij reist zonder zijn vriend.

Wir sitzen um den Tisch.

Nederlands: We zitten om de tafel.

Tips

Verder verkennen