Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Zeit und Ort
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn lokale voorzetsels woorden die aangeven waar iets of iemand is. Ze geven antwoord op vragen als 'Waar?' of 'Waarheen?'.

Wanneer je het gebruikt

Je gebruikt lokale voorzetsels in het Duits om een plaats (locatie) of een richting (beweging) aan te geven. Bijvoorbeeld: 'in het huis', 'op de tafel', of 'onder het bed'.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Das Buch liegt auf dem Tisch.

Nederlands: Het boek ligt op de tafel.

Ich gehe in die Schule.

Nederlands: Ik ga naar school.

Der Hund schläft unter dem Stuhl.

Nederlands: De hond slaapt onder de stoel.

Wir stehen vor dem Kino.

Nederlands: Wij staan voor de bioscoop.

Das Auto parkt zwischen den Häusern.

Nederlands: De auto staat geparkeerd tussen de huizen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen