Das Buch liegt auf dem Tisch.
Nederlands: Het boek ligt op de tafel.
In het Duits zijn lokale voorzetsels woorden die aangeven waar iets of iemand is. Ze geven antwoord op vragen als 'Waar?' of 'Waarheen?'.
Je gebruikt lokale voorzetsels in het Duits om een plaats (locatie) of een richting (beweging) aan te geven. Bijvoorbeeld: 'in het huis', 'op de tafel', of 'onder het bed'.
Das Buch liegt auf dem Tisch.
Nederlands: Het boek ligt op de tafel.
Ich gehe in die Schule.
Nederlands: Ik ga naar school.
Der Hund schläft unter dem Stuhl.
Nederlands: De hond slaapt onder de stoel.
Wir stehen vor dem Kino.
Nederlands: Wij staan voor de bioscoop.
Das Auto parkt zwischen den Häusern.
Nederlands: De auto staat geparkeerd tussen de huizen.