She had finished her homework before dinner.
Nederlands: Zij had haar huiswerk afgemaakt voor het avondeten.
De past perfect simple is een Engelse tijd die je gebruikt om aan te geven dat een handeling vóór een andere handeling in het verleden gebeurde.
Gebruik de past perfect simple om duidelijk te maken dat één gebeurtenis eerst gebeurde en daarna pas de andere, allebei in het verleden.
She had finished her homework before dinner.
Nederlands: Zij had haar huiswerk afgemaakt voor het avondeten.
They had left when I arrived.
Nederlands: Zij waren vertrokken toen ik aankwam.
I had never seen that movie before.
Nederlands: Ik had die film nog nooit eerder gezien.
By the time we got to the station, the train had departed.
Nederlands: Toen we bij het station aankwamen, was de trein al vertrokken.