She likes chocolate.
Nederlands: Zij houdt van chocolade.
Subject- en objectpronouns in het Engels zijn woorden die je gebruikt in plaats van een zelfstandig naamwoord. Subject pronouns doen de actie, object pronouns krijgen de actie.
Gebruik subject pronouns als het voornaamwoord het onderwerp van de zin is (degene die iets doet). Gebruik object pronouns als het voornaamwoord de actie ontvangt of na een voorzetsel komt.
She likes chocolate.
Nederlands: Zij houdt van chocolade.
We see them every day.
Nederlands: Wij zien hen elke dag.
Can you help me?
Nederlands: Kun je mij helpen?
He gave it to us.
Nederlands: Hij gaf het aan ons.