- Taal
- Engels
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Modal Verbs
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Modale werkwoorden voor vaardigheid geven aan of iemand iets kan of niet kan doen in het Engels. Gebruik 'can', 'can't', 'could' en 'couldn't' om te praten over vaardigheden in het heden of verleden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze werkwoorden om te zeggen wat jij of anderen nu of vroeger wel of niet konden doen.
Belangrijke vormen
- 'can' + stam van het werkwoord (heden): I can swim.
- 'can't' + stam (heden, geen vaardigheid): She can't drive.
- 'could' + stam (verleden): When I was a child, I could run fast.
- 'couldn't' + stam (verleden, geen vaardigheid): He couldn't speak English last year.
Voorbeelden
I can play the guitar.
Nederlands: Ik kan gitaar spelen.
She can't come to the party.
Nederlands: Zij kan niet naar het feest komen.
When he was young, he could swim very well.
Nederlands: Toen hij jong was, kon hij heel goed zwemmen.
We couldn't find the keys.
Nederlands: We konden de sleutels niet vinden.
Tips
- Na 'can' en 'could' gebruik je altijd de stam van het werkwoord (zonder 'to').
- 'Can' is voor het heden, 'could' is voor het verleden.
- Gebruik nooit 'to' na 'can' of 'could'.
Uitzonderingen en randgevallen
- 'Be able to' kan ook vaardigheid uitdrukken, vooral voor andere tijden (zoals 'will be able to', 'have been able to').