I want to learn English.
Nederlands: Ik wil Engels leren.
In het Engels is een infinitief de basisvorm van een werkwoord, meestal met 'to' ervoor (bijvoorbeeld: 'to eat', 'to go'). Infinitieven worden vaak gebruikt na bepaalde werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of zelfstandige naamwoorden.
Gebruik het infinitief na veel werkwoorden (zoals 'want', 'need', 'decide'), na sommige bijvoeglijke naamwoorden (zoals 'easy to use'), en om een doel aan te geven ('I went to the store to buy milk').
I want to learn English.
Nederlands: Ik wil Engels leren.
She needs to study for the test.
Nederlands: Zij moet leren voor de toets.
He went to the shop to buy bread.
Nederlands: Hij ging naar de winkel om brood te kopen.
It is easy to understand.
Nederlands: Het is makkelijk te begrijpen.
Let me help you do it.
Nederlands: Laat mij je helpen het te doen.