I can speak English.
Nederlands: Ik kan Engels spreken.
‘Can’ en ‘can’t’ zijn modale werkwoorden in het Engels. Ze worden gebruikt om te zeggen wat je kunt (vaardigheid) of mag (toestemming).
Gebruik ‘can’ om te zeggen dat iemand iets kan doen of toestemming heeft. Gebruik ‘can’t’ voor dingen die je niet kunt of niet mag doen.
I can speak English.
Nederlands: Ik kan Engels spreken.
He can’t play the guitar.
Nederlands: Hij kan geen gitaar spelen.
Can you come to the party?
Nederlands: Kun je naar het feest komen?
We can go now.
Nederlands: We kunnen nu gaan.