Ik heb drie appels.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Voorzetsels en tijd
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Getallen zijn woorden die je gebruikt om te tellen, hoeveelheden aan te geven, prijzen te noemen of de tijd te zeggen. Ze zijn belangrijk in het dagelijks leven.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt getallen in het Nederlands voor leeftijden, tijden, data, prijzen, hoeveelheden, adressen en telefoonnummers.
Belangrijke vormen
- 0 – nul
- 1 – één
- 2 – twee
- 10 – tien
- 20 – twintig
- 100 – honderd
- 1000 – duizend
Voorbeelden
Mijn telefoonnummer is nul zes vier vijf.
Hij is twintig jaar oud.
De winkel is om acht uur open.
Tips
- Getallen van 21 tot en met 99 schrijf je aan elkaar, bijvoorbeeld: 'drieëntwintig' (23).
- Let op de uitspraak van lange getallen en het gebruik van 'en' in getallen als 'drieënveertig' (43).
Uitzonderingen en randgevallen
- Het getal 'één' (1) krijgt een accent om verwarring met 'een' (onbepaald lidwoord) te voorkomen.
- Bij getallen als 'tweeëntwintig' (22) gebruik je een trema (¨) om de uitspraak duidelijk te maken.