Ik ben klaar.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A0
- Eenheid
- Hulpwoorden en kernwerkwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het werkwoord 'zijn' is het belangrijkste hulpwerkwoord en kernwerkwoord in het Nederlands, gebruikt voor identiteit, toestanden en eenvoudige uitspraken, vergelijkbaar met 'be' in het Engels.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik 'zijn' om te zeggen wie iemand is, wat iets is, of hoe iemand zich voelt.
Belangrijke vormen
- ik ben
- jij/u bent / hij/zij/het is
- wij/jullie/zij zijn
- ben niet / is niet / zijn niet
Voorbeelden
Zij is mijn lerares.
Zij zijn thuis.
Wij zijn niet te laat.
Tips
- Kies 'ben', 'bent', 'is' of 'zijn' afhankelijk van het onderwerp.
- Het Nederlands gebruikt geen samentrekkingen voor 'zijn' zoals het Engels dat doet.
- Focus op betekenis en onderwerp-werkwoordovereenkomst op dit niveau.
Uitzonderingen en randgevallen
- In korte antwoorden herhaalt het Nederlands vaak 'zijn': Is hij klaar? Ja, hij is (klaar).